‘Je kan de zee al ruiken!’ Hoor ik vriendin S. enthousiast vanaf de achterbank roepen.
Ik ruik, ik snuif, maar mijn verstopte winterneus laat het nog niet toe. Na de auto te hebben geparkeerd achter een of ander massa productie visrestaurant waar vriend J. roept ‘het ruikt hier naar paling!’ lopen we richting de eindeloos uitstrekkende zee die opdoemt vanachter de dijk. Mijn hart maakt zoals altijd een sprongetje bij het zien van deze eindeloze deken van water, vissen, zout en geschiedenis. We lopen eerst naar de golfbrekers bij de haven. Waar een rode en een groene vuurtoren al jaren eigenwijs over het water koekeloeren, in de hoop door schippers opgemerkt te worden.
Aan het einde van de golfbreker slaat het in me gezicht: de zilte zeelucht. Fris, zacht, zout. Ik ruik, ik snuif, het is heerlijk. Ik kijk even naar de visser die hoog bovenop met zijn hengel en radio de vogels aan het voeren is. Kijk even naar de zee, kijk even naar vriendin S., vriend T. en vriend J. Ik hoop dat de zon nog doorbreekt op deze mooie dag.
Op het strand is het nog rustig. Her en der een verdwaalde jogger, maar schelpen genoeg. S. en ik turen bij elke stap naar het zand voor mooie, bijzondere, grote en uitstekende schelpen. Een stuk kalksteen en ander raar zeegoed verdwijnt in het kleine handtasje dat S. bij zich heeft. Haar gele handtasje dat zo lekker afsteekt tegen haar verder zwarte outfit.
T. en J. lopen ondertussen al meters vooruit, gegrepen door de eindeloze zee van zand en diepe gesprekken zijn we ze kwijt aan het strand. Zij zijn ons kwijt aan de schelpen. Het strand: waar je honderd meter voor elkaar uit kan lopen en toch in contact bent vanwege de eindeloze leegte.
‘Vroeger dachten ze dat de aarde daar ophield,’ zeg ik tegen S. al wijzend naar de horizon.
‘Nu weet je dat daar nog een hele wereld achter ligt, een wereld waar wij niks vanaf weten en nog nooit zijn geweest.’ Ik weet niet wat ik vreemder zou vinden. S. wel, die vind het einde van de wereld vreemder. Ik denk er nog even over na terwijl we verder naar schelpen zoeken.
Als we bijna bij de pier aankomen, breekt de zon zachtjes door. Ergens tussen die grijze wolkenmassa zie ik blauwe vlekken verschijnen. Als de zon uiteindelijk tussen de massa doorbreekt en op ons gezicht schijnt, kijken we dankbaar omhoog en beginnen te lachen. We huppelen verder naar de pier, waar souvenirwinkeltjes op ons wachten.
S. koopt een verjaardagscadeau voor J. en ik ontferm me over het meest vieze ijsje dat ik ooit heb gegeten.
We lunchen, we lachen, we drinken koffie, we genieten van de zon en de zee.
Het is drukker op het strand. We horen kinderen lachen en ik denk aan vroeger. Aan mijn broer, mijn moeder, de dagen die we zo regelmatig als gezin hier doorbrachten. Zien honden rennen, eigenwijze jongeren zwemmen en zien al een paar zandkastelen. We fantaseren over een huisje aan het strand, bedenken de hoeveelheid zand op je balkon en de duinen aan je voeten. We lopen terug, doodmoe, zijn allemaal stil in de auto en zodra we thuis zijn val ik als een blok in slaap. Het was een heerlijke dag.